In de Orgelvriend van januari/februari en maart publiceerden we een componistenschets in twee afleveringen over de Engelse blinde componist William Wolstenholme, van de hand van de Engelse auteur Kenneth Shenton. Het artikel verscheen oorspronkelijk in het Engelse zustertijdschrift The Organ van februari 2008.

 

In het standaardwerk The Complete Organ Recitalist, een Engels boek uit 1927 van Herbert Westerby vinden we een bijdrage van William Wolstenholme. Dit boek bevat 35 bijdragen van bekende tijdgenoten over het voorbereiden op en geven van orgelconcerten, compositiestijlen, Engelse en Amerikaanse componisten en organisten, ‘De ideale speeltafel’, ‘De bioscoopwereld’ en ‘Het moderne Britse orgel’. Wolstenholme heeft aan laatstgenoemd hoofdstuk bijgedragen in de vorm van een essay over ‘My Ideal Organ’.

Hij beschrijft hierin waaraan een modern concertorgel zou moeten voldoen en doet voorstellen voor een dispositie, inclusief koppelingen. Omdat het geheel nogal is toegespitst op de Engelse concertpraktijk, hieronder enkele citaten uit zijn betoog:

“Een goed concertorgel zou vier manualen moeten hebben. Drie manualen of zelfs twee, met een geschikte dispositie, zijn voldoende voor de begeleiding van een kerkdienst. Voor concerten heeft een vierde manuaal een groot voordeel omdat het de organist in staat stelt van tevoren combinaties voor te bereiden, en het bespaart hem een hoop registerwisselingen in het verloop van een stuk.”

“De speeltafel zou zo geplaatst moeten worden dat zowel de speler als de luisteraar alles in de juiste balans hoort. Zo vaak gebeurt het dat een gekozen combinatie die aan de speeltafel als bevredigend wordt ervaren, op enige afstand in de kerk of de zaal heel anders klinkt. Een solostem kan worden overstemd door de begeleiding of juist onvoldoende ondersteund.”

“Of de tractuur nu elektrisch of pneumatisch is: deze zou net zo prompt moeten reageren als een piano.”

“Bij een orgel van deze grootte, waarin 16-voets en 4-voets registers het sub-octaaf en octaaf van het 8-voets ensemble vertegenwoordigen, zijn octaafkoppels echt niet nodig.”

“Ik heb geen ‘Mixturen’ gedisponeerd; als er vraag naar is, zou er geen koor hoger dan 2 voet in moeten voorkomen, zodat er geen onderbreking in de klank ontstaat, iets waaraan ik een grote hekel heb.”

Vervolgens stelt hij een dispositie voor, “full of idiosyncracies” (vol eigenaardigheden).

Aan het eind van het vier bladzijden tellende artikel doet hij suggesties voor de vertolking van Bachs Fantasia in G minor. Hierin toont hij zich weliswaar een kind van zijn tijd (“The general trend should be crescendo throughout...”, maar hij waarschuwt er ook voor de harmonieën niet aan te dikken. “Bach just knew what he wanted.”

Hij besluit zijn artikel met enkele aanwijzingen voor het registeren van Widors Allegro Cantabile en Toccata uit diens vijfde orgelsymfonie. Hij adviseert om de tuba’s niet aan het Great te koppelen, hooguit aan het pedaal, en om het diminuendo en crescendo zoveel mogelijk met de zwelkast te realiseren in plaats van te registreren.

Het gehele artikel is hier te downloaden.




Navigatie